Costa Rica


1- 2- 3 - 4- 5


<<<< De trein, waarmede wij naar de hoofdstad reisden, deed met zijn doorloopende waggons aan die der Vereenigde Staten denken. Amerikaansche spoorwegkoningen voeren dan ook het beheer over de spoorweglijnen van Midden-Amerika; in Guatemala is het Huntington, uit Californië, in Costa-Rica Keeth, de groote bezitter der bananen-plantages. De waggons zijn uitstekend ingericht. De zitbanken, met geel leer bekleed, zijn zacht en gemakkelijk en overal hangen spiegels, waarin wij onze vermoeide trekken en met slijk bedekte kleeding zagen teruggekaatst. De spoorweglijn liep langs een weg, die beplant was met koffieboomen, en die herhaaldelijk door kleine kanalen werd doorsneden. We kwamen langs kleine stations, waar een levendig verkeer heerschte. In tegenstelling met Guatemala, dat op een kale en verlaten hoogvlakte ligt, en waaromheen op vijftig kilometer in den omtrek geen belangrijke stad wordt aangetroffen, is San José, de hoofdstad van Costa-Rica, midden in het dichtst bevolkte gedeelte der republiek gelegen.

Heredia, Alajuela, Carthago, zijn allen kleine steden, die als zwermende bijen schijnen uitgevlogen van den korf, die zich in San José bevindt. Op dit plateau wonen 200 000 menschen, en al is de hoofdstad zelf een kleine plaats van 30 000 inwoners, er is altijd een levendig verkeer.

Bij een bocht van den weg kregen wij de stad in het gezicht. Een menigte kleine huizen, wegschuilend in het groen, en hier en daar eenige witte koepels, glinsterend in de zon, dit was de eerste indruk, dien wij van de hoofdstad van het schoone land ontvingen.

San José is een alleraardigst, zindelijk stadje, waar overvloed van water is, een waar paradijs van groen.

De benedenste hellingen van een uitgedoofden vulkaan, de Irazu, dalen langzaam glooiend af, tot vlak bij de stad, en dit gezicht geeft een karakter van grootschheid aan het landschap, dat anders een europeeschen tint vertoont.

Als al de hoofdsteden van Midden-Amerika, is San José naar den Stillen Oceaan gekeerd; maar toch ligt deze stad meer dan de anderen zóó, dat zij op beide zeeën uitzicht heeft, en zoowel naar China, als naar Europa gericht is. Terwijl echter Guatemala, San Salvador, en Nicaragua door spoorwegen met den Stillen Oceaan zijn verbonden, gaat van San José een directe verbindingslijn naar den Atlantischen Oceaan. Deze omstandigheid is niet zonder invloed gebleven, het schijnt, alsof de denkbeelden en de kleederdracht van het westen hier meer ingang hebben gevonden dan elders. Alles is hier echt amerikaansch, van spaanschen invloed geen spoor; geen getraliede vensters, geen nauwe, en slecht geplaveide straten, maar europeesch gebouwde huizen van rooden baksteen, twee verdiepingen hoog, met opschuiframen, die van boven kunnen worden neergeschoven, juist als in Londen. De stad is trouwens nog niet lang geleden gebouwd; de oude hoofdstad Carthago is een spaansche stad gebleven. Hier in San José zijn de straten zeer goed onderhouden; een rijtuig bracht ons tot aan de deur van ons hôtel. De smalle trottoirs zijn met groote vierkante steenen geplaveid. In Guatemala hoort men van niets anders spreken dan van het rijzen en dalen der koffieprijzen, maar men ziet er zelfs geen zak koffieboonen door de stad vervoeren; de koffieplantages liggen zeer ver verwijderd van de stad.

Te San José echter wordt op de hoogvlakte zelf, waar de stad is gelegen, het zoo gewilde voortbrengsel verbouwd, bewerkt, en verzonden.

Wij hadden reeds van te voren van San José hooren vertellen dat het eigenlijk een europeesche stad was; “men had er zelfs electrische trams”. Die trams bleken thans uit een enkel lijntje te bestaan; maar dit was dan ook een “schoone zaak,” die het menschdom te Costa-Rica blijkbaar “veel vermaak” schonk. Hoewel dit vervoermiddel in de kleine stad bepaald overbodige weelde mocht heeten, maakte de tram door de luiheid der bewoners toch uitstekende zaken. De tramlijn liep rechtuit van het eene eind van de stad naar het andere, en daar de verstandige directie elke “car” van prachtige electrische verlichting had voorzien, zat ’s avonds de tram vol fraai uitgedoste negerinnen, mulattovrouwen, en zelfs elegante dames, die voor haar genoegen een ritje deden, en haar toiletten lieten bewonderen. Als een schitterend verschijnsel gleed de tram voorbij, en de inwoners, die ’s avonds aan hun deur een luchtje stonden te scheppen, konden zoodoende op hun gemak de schoonheden van de stad bewonderen; de tram voldeed in dit opzicht haast even goed als een five o’clock tea. “Kom lieve, laten we hier uitstappen, om een hoed voor je te kiezen,” hoorde ik in zuiver Engelsch achter mij zeggen. Ik keerde mij om en zag, dat de spreekster een negerin was, die met een vriendin uit den tram wipte, en afstapte op een schitterend verlicht winkelraam. De uitstallingen zijn hier werkelijk heel aardig, en aan “Nouveauté’s de Paris” is geen gebrek. Den geheelen nacht blijft licht in de winkels branden, ook al zijn ze gesloten, wat den nachtelijken wandelaar ten goede komt.

De straten van de stad zijn smal, maar bijzonder druk en levendig. Terwijl in Guatemala na negen uur ’s avonds elke stad uitgestorven schijnt, ziet men hier tot laat in den nacht groepjes mannen staan praten. Vrouwen gaan zoo laat niet uit. Wie over dag in San José gaat wandelen, richt zijn schreden naar een plantsoen midden in de stad, dat heel klein en om de waarheid te zeggen, heel leelijk is. Des Zondags wordt daar muziek gemaakt door de militaire kapel. Meer afgelegen, en veel minder druk bezocht is een ander, grooter park, dat hoog gelegen is, buiten de stad, en waar het een genot was, te vertoeven. Lanen, beschaduwd door zwaar geboomte, fraai aangelegde perken vol tropische bloemen, een rustieke houten brug over een meer, dat alles moest toch genoeg aantrekkingskracht bezitten, om wandelaars te lokken. Maar niemand die zich zoo ver waagt, het park is een kwartier buiten de stad gelegen, en in Midden-Amerika wil dit zooveel zeggen als bij ons een paar uren.

. >>>

.

 
  |2007 -2011 Reisje Costa Rica .com